Vermogensopbouw
In Nederland gaat er veel geld om. Een groot gedeelte wordt geconsumeerd, maar Nederlanders zijn ook een heel spaarzaam volk. Vrijwel elke Nederlander doet aan vermogensopbouw. Vermogen klinkt alsof het om grote bedragen gaat, maar dat is slechts schijn. Ook kleinere bedragen maken deel uit van vermogen, evenals bijvoorbeeld een eigen woning. Vermogen opbouwen kan op onvoorstelbaar veel verschillende manieren. De meest voorkomende manieren van vermogensopbouw worden besproken. De redenen die iemand heeft om vermogen op te bouwen zijn divers. Het is belangrijk om de juiste vorm te kunnen selecteren. Daarnaast heeft de ene vorm een groter risico element dan de andere spaarvorm.
Verschillende vormen van vermogensopbouw
o sparen;
o beleggen;
o bijzondere spaarvormen;
o kapitaalverzekeringen;
o eigen woning(en);
o effectenlease. Sparen
Sparen is het gangbare woord in de Nederlandse samenleving voor vermogensopbouw. Toch vallen lang niet alle vormen van vermogensopbouw onder de officiële noemer sparen. Sparen is één van de oudste manieren om geld op te potten. Het principe van geld verzamelen in een oude sok of onder een matras, is bij iedereen bekend, alhoewel dit nog sporadisch voorkomt. De meeste Nederlanders zijn overgestapt op vormen van vermogensopbouw die meer opleveren. Het meest bekende voorbeeld hiervan is sparen bij de bank. Dit kan tegenwoordeig al vanaf 3,5% rente.
De meest kenmerkende eigenschappen van een gewone spaarrekening zijn:
o de rente is variabel (beweegt mee met de marktrente);
o de looptijd is onbepaald;
o er kan onbeperkt geld gestort en opgenomen worden.
Er zijn ook spaarrekeningen waar voorwaarden aan verbonden zijn. Het gevolg hiervan is dan vaak een iets hogere rentevergoeding. Bij voorwaarden valt te denken aan:
o een opzegtermijn;
o een minimaal saldo, voordat rente vergoed wordt;
o een minimaal of maximaal bedrag dat opgenomen kan worden;
o kosten die in rekening gebracht worden bij opname.
De bank kan in dergelijke gevallen een iets hoger bedrag aan rente vergoeden, aangezien de bank meer zekerheid heeft omtrent het bedrag dat op de rekening staat of de termijn waarbinnen het opgenomen kan worden. Naast banken bieden ook de meeste verzekeringsmaatschappijen spaarrekeningen aan.
Hoge rente zonder beperkende voorwaarden
Er zijn ook banken die een hoge spaarrente, tot wel 3,5% vergoeden zonder beperkende voorwaarden. Voor meer informatie kunt u kijken bij het onderdeel "Hoge spaarrrente".
Spaardeposito
Een spaardeposito is een variant op een gewone spaarrekening. Een spaardeposito is een spaarrekening, waarbij van tevoren vast staat wat de looptijd is, wat het bedrag is dat gedurende de looptijd op de rekening of het deposito staat en hoe hoog de rentevergoeding gedurende de looptijd is. De looptijd van een spaardeposito is variërend van 1 maand tot 15 jaar. De inleg is bij de meeste aanbieders mogelijk vanaf € 5.000 tot € 10.000. De rente die vergoed wordt, is afhankelijk van de looptijd van het spaardeposito en in bepaalde gevallen van het bedrag op het deposito. Het is mogelijk om bij een spaardeposito te onderhandelen over de rente, al gaat dit om tienden van procenten. Er is geen mogelijkheid bij een spaardeposito om tussentijds opnamen te doen, zelfs bij overlijden komt het geld niet altijd vrij. De rente op spaardeposito's met een korte looptijd is over het algemeen lager dan de rente op een spaarrekening. Bij een spaardeposito is men zeker van het rentepercentage, terwijl het rentepercentage dat men vergoed krijgt op een spaarrekening, meegaat met de marktrente. Wanneer u dus een rentedaling verwacht, kan gekozen worden voor een spaardeposito. Bij een spaardeposito met een langere looptijd kan de rente op het spaardeposito hoger zijn dan de rente op een spaarrekening. Ingeval iemand kiest voor zekerheid en zijn geld voor langere termijn niet nodig heeft, is een spaardeposito een optie. Een spaardeposito levert, net als een gewone spaarrekening, rente inkomsten op.
Banksparen
Sparen op een spaarrekening bij de bank, is een eenvoudige manier van vermogensopbouw. Een particulier stalt geld bij de bank, waar de bank een vergoeding tegenover zet. Deze vergoeding heet rente. Voor een bank is deze situatie ideaal, aangezien het geld dat bij een bank gestald wordt, aangewend kan worden voor andere doeleinden waar een bank winst op maakt. De kans dat alle spaarders tegelijk al hun geld op komen halen is nihil. Een gedeelte van de spaargelden kan dus gebruikt worden om bijvoorbeeld aan klanten uit te lenen. Een dergelijke situatie levert de bank geld op, ga maar na: wanneer over een spaarrekening 3% rente vergoed wordt (moet de bank dus uitbetalen aan de klant) en de bank kan dat zelfde geld aan iemand uitlenen tegen 8% (ontvangt de bank), heeft de bank dus een winst van 5%. Ook voor de spaarder is dit rendabel, aangezien het saldo toeneemt door de rentevergoeding.
Bijzondere spaarvormen
Aangezien ons hele economische systeem gebaseerd is op het principe van sparen en lenen, heeft de overheid een aantal bijzondere vormen van sparen in het leven geroepen. Deze spaarvormen moesten het sparen bij de particulieren bevorderen. Deze bijzondere vormen van sparen hadden in het oude belastingstelsel een fiscaal voordeel. In het belastingplan voor de 21e eeuw zijn bij een aantal bijzondere spaarvormen de fiscale voordelen verdwenen of aan banden gelegd. De meest voorkomende bijzondere spaarvormen worden onderstaand besproken:
o kapitaalverzekeringen;
o bedrijfssparen.
Kapitaalverzekeringen
Er zijn veel verschillende kapitaalverzekeringen, maar het belangrijkste onderscheid moet gemaakt worden tussen kapitaalverzekeringen zonder lijfrente clausule en kapitaalverzekeringen met lijfrente clausule (=gerichte lijfrente). De kapitaalverzekering met lijfrente clausule wordt in de volksmond gewoon lijfrente genoemd.
De kapitaalverzekering zonder lijfrente clausule is beter bekend als het belastingvrij spaarplan. Eind jaren '80 en begin jaren '90 is het belastingvrij sparen enorm populair geworden en inmiddels heeft vrijwel elk huishouden in Nederland 1 of meer belastingvrije spaarplannen.
Een groot aantal belastingvrije spaarplannen is gebaseerd op het spaarkassysteem. De basis voor dit systeem dateert al uit de 17e eeuw. In die periode legden mensen al geld in en ontvingen daar uiteindelijk een vorm van winst uit.
Tegenwoordig is het belastingvrij sparen, naast het spaarkassysteem, ook vaak gebaseerd op het Universal Life principe.
Belastingvrij sparen komt kortweg op het volgende neer: gedurende een bepaalde periode wordt er regelmatig geld gestort in het spaarplan. Het rendement over de opgebouwde waarde van het spaarplan wordt bijgeschreven in het spaarplan, waardoor het spaarplan sneller groeit. Nadat de looptijd van het spaarplan is verstreken, wordt de opgebouwde waarde ineens uitgekeerd.
Een belastingvrij spaarplan is een eenzijdige overeenkomst. Dat wil zeggen dat een spaarder nooit gedwongen kan worden om door te gaan. Het sparen gebeurt op vrijwillige basis en indien de spaarder binnen de looptijd besluit om te stoppen met inleggen is dat geen probleem. Wel kan het stoppen van het inleggen fiscale gevolgen hebben en kunnen er afkoopkosten berekend worden.
Risico en beleggen
Het risico van beleggen is afhankelijk van de spreiding die aangebracht is in de belegging en de beleggingshorizon (de tijd die men heeft om te beleggen). Ga maar na, wanneer iemand al zijn geld in één aandeel steekt en dat bedrijf gaat minder goed, heeft zijn totale belegging het slecht gedaan. Wanneer het geld gespreid wordt over meerdere aandelen, bijvoorbeeld over de gehele AEX en één aandeel doet het minder goed, dan kan dat ruimschoots gecompenseerd worden door de overige aandelen. De beleggingshorizon is eveneens van grote invloed. Heeft iemand maar een korte periode om zijn geld te beleggen, dan is het risico van een slecht rendement vele malen groter, dan wanneer iemand voor een langere periode kan gaan beleggen. In financiele bijsluiters en offertes van banken en verzekeraars staan altijd voorbeeldrendementen aangegven en vaak ook het werkelijke rendement. Voorbeeld rendementen worden vaak laag aangehouden om teleurstelling achteraf te voorkomen. Om te laten zien dat een procent meer of minder behoorlijk wat invloed heeft op de eindwaarde, een voorbeeld ter verduidelijking. Een eenmalige inleg van € 10.000 levert na 20 jaar bij een prognoserendement van 10% een eindkapitaal op van € 67.275. Bij een prognoserendement van 12,5% zou dezelfde € 10.000 een eindkapitaal opleveren van € 105.450 na 20 jaar. Zou er met het gemiddelde rendement van 13,5% gerekend worden, dan zou de einduitkering na 20 jaar zelfs € 125.869 bedragen.
Dividendsparen
Een alternatief op de gewone spaarrekening is het zogenaamde dividendsparen. Dit gebeurt op dividendspaarfondsen. Dit zijn spaarfondsen, waarbij het geld geïnvesteerd wordt in gewone veilige spaarrekeningen met een veilige rente. Het enige verschil met een gewone spaarrekening is dus het feit dat geen rente maar dividend uitgekeerd wordt. Het nadeel van dividendsparen is dat er bij opname en / of storting direct kosten worden ingehouden. Wanneer het geld te snel weer wordt opgenomen, drukken deze kosten aanzienlijk op het resultaat.
Een variant op het dividendsparen, die meer kan opleveren, zijn dividendfondsen. In dergelijke fondsen wordt een gedeelte van het geld belegd in aandelen. Het percentage dat in aandelen wordt belegd, kan verschillen per aanbieder. Deze dividendfondsen zullen normaal gesproken (bij een stijgende beurs) meer opleveren dan een dividendspaarfonds. Als gevolg van een gedeeltelijke belegging in aandelen, zal het saldo op een dividendspaarfonds fluctueren, het totale saldo is immers mede afhankelijk van de koersen van de aandelen.
Beleggen met garantie
Beleggen met garantie is de laatste tijd enorm in populariteit toegenomen. op zich ook wel logisch. Enerzijds heb je de mogelijkheid om te profiteren van koersstijgingen maar anderzijds niet de hinder van koersdalingen. Wel de lusten en niet de lasten eigenlijk.
Er zijn tegenwoordig vele vormen waarbij de klant profiteert van beleggingsrendement zonder dat hij risico loopt zijn inleg kwijt te raken. Op het einde van de looptijd wordt altijd minimaal de inleg uitgekeerd. Gezien het huidige beursklimaat bieden dergelijke producten dus unieke.
Gespreide belegging
Een gespreide belegging bestaat over het algemeen uit een mix van obligaties, aandelen en onroerend goed. Voor veel mensen lijkt een gespreide belegging een veilige belegging. Deels is dat terecht, deels onterecht. U blijft natuurlijk koersrisico plopen. Wilt u profiteren van een hoger rendement en toch 100% zekerheid dan is aan te raden om producten met (inleg) garantie te kiezen.
Beleggen
Een vorm om vermogen op te bouwen, is beleggen. Beleggen is de afgelopen jaren enorm populair geworden. Echter door de koersval van de laatste jaren zijn mensen voorzichtiger geworden.
Het grote verschil tussen sparen en beleggen is het risico element. Het risico element met beleggen is niet uit te vlakken. Hier staat tegenover dat een snellere aangroei ook realistisch is.
Er zijn verschillende soorten beleggingen. De drie meest gehanteerde beleggingen zijn:
o staatsobligaties;
o aandelen;
o gespreide beleggingen.
Het risico element in deze drie vormen is niet gelijk. Afhankelijk van het risicoprofiel, de periode om een vermogen op te bouwen en de soort wens bepalen welke belegging voor een klant het meest geschikt is. Hiervoor moet u altijd een risicoprofiel invullen voordat u kunt gaan beleggen.
Beleggingsfondsen
Een variant op het rechtstreeks beleggen in aandelen, is het deelnemen in beleggingsfondsen. Net als bij het aan en verkopen van aandelen worden bij beleggingsfondsen aan en verkoopkosten berekend. Toch zijn de kosten voor een beleggingsfonds over het algemeen lager, vanwege de grote schaal waarop aangekocht kan worden door de instellingen die de fondsen aanbieden. Hierdoor is het eveneens veel eenvoudiger een grote spreiding aan te brengen.
Standaard mogelijkheden van een kapitaalverzekering
Naast de mogelijkheid om overlijdensdekking naar eigen wensen aan te passen, heeft elke kapitaalverzekering in Nederland nog twee mogelijkheden, namelijk de mogelijkheid om een bedrijfsspaarregeling eraan te koppelen en de mogelijkheid om een arbeidsongeschiktheidsclausule op te nemen in het plan.
Ongeacht welke maatschappij het plan aanbiedt, zijn deze mogelijkheden dus altijd als optie meegenomen, aangezien de overheid deze opties verplicht heeft gesteld.
Een kapitaalverzekering heeft de mogelijkheid tot een overlijdensuitkering volledig naar keuze. Toch zal in de meeste gevallen gekozen worden voor een van de twee onderstaande opties:
o standaard overlijdensdekking;
o vast kapitaal.
De standaardoverlijdensdekking verschilt per maatschappij. In de meeste gevallen bestaat de standaard overlijdensdekking uit de inleg plus een paar procent (4 à 5) rente over rente of uit een bepaald percentage (bijvoorbeeld 90%) van de opgebouwde waarde van het plan. Indien er geen reden is voor een hogere overlijdensrisicodekking, zal gekozen worden voor de standaardoptie, aangezien het spaardeel van de inleg dan het grootste is, wat in de hoogste einduitkering resulteert en per slot van rekening gaan mensen sparen om een zo groot mogelijk bedrag bij elkaar te krijgen. Een vast kapitaal is een van tevoren afgesproken bedrag dat bij overlijden wordt uitgekeerd aan de nabestaanden.
Door een arbeidsongeschiktheidsclausule op een kapitaalverzekering te plaatsen is het mogelijk om ervoor te zorgen dat de maatschappij premiebetaling voor het plan tot het einde van de looptijd overneemt bij arbeidsongeschiktheid. Op die manier is men er dus zeker van dat het plan doorloopt bij arbeidsongeschiktheid.
Indien iemand een arbeidsongeschiktheidsclausule op het plan wil, moet vanzelfsprekend een gezondheidsverklaring (formulier met allerlei vragen op medisch vlak over de huidige gezondheidstoestand en het medisch verleden) ingevuld worden.